Speerpunten
Om complexe problemen aan te pakken, moet je rekening houden met verschillende, elkaar wederzijds beïnvloedende factoren. Laat dat nu net de sterkte van de provincies zijn: we brengen mensen bijeen met verschillende visies en belangen, en proberen zo tot een pragmatische aanpak te komen. Want bestuurlijke organisatie is één ding, het zijn de resultaten op het terrein die tellen.
Daarom praten we ook niet over bevoegdheden, maar wel over vijf concrete problematieken die wij prioritair aanpakken. Vijf speerpunten waarin de Vlaamse provincies het verschil maken en de zaken vlot trekken.

Speerpunt Mobiliteit

memorandumvisual schuifpuzzel mobiliteit

In ons memorandum stellen we dat ons land kampt met vele ingewikkelde problemen, die moeilijk op te lossen zijn. Niet alleen moeten er zoveel onderling afhankelijke aspecten verzoend worden, maar de besluitvorming in Vlaanderen is zo complex geworden, met– letterlijk – duizenden tussenliggende structuren, raden en commissies. De Vlaamse beleidsstructuur is als een schuifpuzzel met véél te veel stukjes, die daardoor stevig vast zit. Gelukkig zijn de provincies daarvoor een deel van de oplossing.

Hieronder tonen we dat aan voor het beleidsdomein “Mobiliteit”. Waarin u zal merken dat de provincies soms een uitvoerder, soms een versneller en vaak zelfs een inspiratie zijn voor het Vlaamse mobiliteitsbeleid.

In de Vlaamse Mobiliteitsvisie 2040 die door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd op 9 juli 2021, komen een aantal beleidsprioriteiten naar voren, die een nuttige richting geven aan iedereen die mobiliteitsinitiatieven ontplooit – maar die tegelijkertijd best uitdagend zijn.

Het gaat onder andere om het uitbouwen van fietsroutes en fietssnelwegen, het creëren van geïntegreerde en gekoppelde knooppunten en netwerken van verschillende vervoersmodi, het verzamelen van data om intelligent te kunnen sturen en private en publieke actoren te inspireren, het verduurzamen van mobiliteit, het stimuleren van mensen om gebruik te maken van het juiste vervoersmiddel voor de juiste verplaatsing en het tot nul terugbrengen van het aantal zware verkeersslachtoffers.

Bovendien bestaat mobiliteit niet in een vacuüm, maar raakt het – zoals elke complexe problematiek – aan heel concrete andere beleidsdomeinen, zoals economie, milieu, open ruimte, enzovoort.

Zo is er bijvoorbeeld het derde verzameldecreet Mobiliteit en Openbare Werken van 1 maart 2023 en, sinds september 2020, het VAPEO, het Vlaams Actieprogramma Ecologische Ontsnippering van Ministers Peeters en Demir, dat ervoor moet zorgen dat infrastructuurwerken niet leiden tot versnippering van leefgebieden van dieren.

Zoals de Vlaamse Mobiliteitsvisie ook aangeeft, wordt het behalen van deze doelstellingen – waarachter de Vlaamse provincies zich zeker kunnen scharen – bemoeilijkt door de specifieke beleidsmatige context binnen Vlaanderen “waarbij de bevoegdheden over mobiliteit sterk verspreid zijn over de verschillende beleidsniveaus”. Je zou bijna kunnen stellen dat het beleid zélf een ontsnipperingsplan kan gebruiken… Duidelijke afspraken en constructieve samenwerking zijn dan ook noodzakelijk om efficiënt beleid te kunnen voeren.

In het kort

  • Het verduurzamen van mobiliteit

  • Het creëren van geïntegreerde en gekoppelde knooppunten en netwerken van verschillende vervoersmodi

  • Het verzamelen van data om intelligent te kunnen sturen en private en publieke actoren te inspireren

  • Het uitbouwen van fietsroutes en fietssnelwegen

  • Het stimuleren van mensen om gebruik te maken van het juiste vervoersmiddel voor de juiste verplaatsing

  • Het tot nul terugbrengen van het aantal zware verkeersslachtoffers

In de complexe, versnipperde en verkokerde Vlaamse beleidscontext is de bewegingsvrijheid van beleidsmakers om dingen in beweging te krijgen vaak beperkt. De provincies kunnen daarbij helpen.

We kunnen dit doen omwille van onze specifieke methodiek, onze bestuurskracht, en onze competenties op het terrein.

Onze specifieke methodiek

Onze specifieke provinciale methodiek houdt in dat we voor elke problematiek de verschillende relevante partijen bij elkaar brengen om tot een pragmatische en gedragen oplossing te komen. We zijn onvermoeibaar in het betrekken van alle betrokkenen, over verkokerde bevoegdheden en belangen heen.

  • Zo hebben we het bovenlokaal functionele fietsroutenetwerk (BFF) enkel kunnen realiseren door stelselmatig verschillende gemeenten bij elkaar te zetten, bij talloze individuele bedrijven en honderden burgers langs te gaan, enzovoort.

  • Meer dan 9 op 10 gemeenten werken samen met de provincies rond fietsinfrastructuur, en zien ons als één van de partners die de hoogste tevredenheid bij hen wegdragen.

  • Ook toeristische overwegingen spelen mee in ons mobiliteitsbeleid – functionele netwerken worden zoveel mogelijk gekoppeld aan toeristische fiets- en wandelnetwerken.

  • De verschillende vervoerregio’s vragen ons spontaan om coördinerend op te treden (bijvoorbeeld als hun gesprekspartner bij de NMBS).

Onze bestuurskracht

De provincies hebben eigen prioriteiten en een eigen budget, wat ons toelaat op eigen kracht initiatieven waar te maken en zaken in beweging te zetten. We zijn hierbij niet bang om te innoveren, ja zelfs te experimenteren.

  • Het zijn de provincies die aan de basis liggen van het fietsroutenetwerk, door te investeren in de aanleg ervan, het uitvoeren van kwaliteitscontroles op investeringen van lokale besturen, het wegwerken van missing links, de leesbaarheid van de fietssnelwegen (denk aan het F-logo) en de algemene communicatie errond. Het is een mooi voorbeeld van succesvol initiërend werk dat mee het Vlaams beleid versterkt, en waaraan het Vlaams en Brussels gewest nu ook meewerken.

  • Zo zijn wij tientallen jaren bezig met ecologische verbindingen voor dieren bij de aanleg van onze fietsroutes.

  • Onze politieke bestuurskracht laat toe om beleidsmatige verdeelvraagstukken te trancheren. Samen met de lokale politieke besluitvorming wordt zo een democratisch proces gecreëerd dat legitimiteit geeft aan de provinciale initiatieven.

Onze mensen op het terrein

We hebben zowat overal onze eigen experten die een goed zicht hebben op de specifieke lokale realiteiten. Dit is niet alleen efficiënter, maar zorgt er ook voor dat we ogen en oren hebben voor de verzuchtingen en de reële noden op het terrein. Hierdoor moeten de provincies minder beroep doen op externe partijen zoals dure consultants of studiebureaus.

Onze provinciale bouwteams bijvoorbeeld, die bestaan uit tekenaars, werftoezichters, ingenieurs, beleidsmedewerkers en landmeters die samen met de gemeenten en andere partners infrastructuur realiseren op maat van de eigenschappen en noden van de omgeving. Op die manier zijn de provincies vaak zélf ‘externe consultant’ voor lokale besturen. En in tegenstelling tot vele commerciële consultancykantoren, vertrekken we daarbij niet enkel vanuit een loutere mobiliteitsinvalshoek, maar hebben we oog voor implicaties op langere termijn in andere beleidsdomeinen. En ondersteunen we de lokale besturen ook nog eens gratis of aan kostprijs.

Dit alles laat ons toe een partner, uitvoerder, ja zelfs inspirator te zijn voor het Vlaams beleid inzake mobiliteit, concreet inzake volgende punten uit de Mobiliteitsvisie:

  • Verduurzamen van de mobiliteit: door de realisatie van het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk (BFF), met de fietssnelwegen als ruggengraat uiteraard, maar ook door het ondersteunen van lokale besturen in hun mobiliteitsplannen en -initiatieven. Zo zetten we bijvoorbeeld het Pendelfonds in om bedrijven te adviseren en te begeleiden die willen werken rond duurzaam woon-werkverkeer.

  • Stimuleren van mensen om het juiste vervoersmiddel te gebruiken voor de juiste verplaatsing: door sensibiliseringscampagnes bij bedrijven zoals de “Fietstest” of “De Testkaravaan komt eraan”.

  • Beleid dat steunt op data: inzichten uit de provinciale fietsbarometers ondersteunen objectieve beleidskeuzes, en inspireren besturen en de private markt tot innovatieve toepassingen.

  • Verkeersveiligheid: door het aanleggen van veilige fietsinfrastructuur in de eerste plaats uiteraard, door specifieke opleidingen in overleg met lokale besturen en politie, en door het begeleiden van gemeenten in het opstellen van een actieplan verkeersveiligheid.

In het kort

De provincies zijn een deel van de oplossing omwille van:

  • Onze specifieke provinciale methodiek

  • Onze bestuurskracht

  • Onze competenties op het terrein

Zoals we hierboven hebben aangetoond, zijn de provincies het onontbeerlijke stukje dat de schuifpuzzel in beweging kan brengen. Beter nog: we doen dat al jaren.

Maar alles kan altijd beter. We kunnen Vlaanderen nog méér in beweging krijgen als we zélf ook meer bewegingsvrijheid krijgen, en dat kan op de volgende vier manieren:

4.1. In de eerste plaats door onze rol te respecteren en decretaal te erkennen.

Het is opvallend dat in de Vlaamse Mobiliteitsvisie 2040 wordt opgeroepen tot participatie en samenwerking met relevante actoren, zoals andere beleidsdomeinen en -niveaus, vervoerregio’s, burgers, bedrijven, middenveldorganisaties, onderwijs- en kennisinstellingen, enzovoort, maar dat het woord provincie slechts één keer in de hele tekst voorkomt. Dat terwijl we al jarenlang een belangrijke actor zijn in het realiseren van de Vlaamse mobiliteitsdoelstellingen. In de feiten en op het terrein wordt onze rol en meerwaarde vaak wel erkend, maar decretale verankering blijft aangewezen.

Het is essentieel om zowel de technische expertise die onze mensen hebben als het politiek beleidsniveau te erkennen – het is immers die politieke dimensie die ons toelaat bovenlokale initiatieven en beslissingen te nemen, met aandacht voor het algemeen belang en voor alle lokale besturen, groot en klein, ondernemingen, verenigingen en burgers.

4.2. Door actief in te gaan tegen de bestuurlijke verrommeling.

De creatie van 15 vervoerregio’s in 2019 was op zich al een bijkomende verrommeling, die meer versnippering met zich heeft meegebracht dan een organisatie via vijf provincies, en ook minder bestuurskracht – als je bijvoorbeeld milieu en mobiliteit wil verzoenen, vraagt dat al een zekere schaalgrootte. Het feit dat Limburg, waar de grenzen van vervoerregio en provincie samenvallen als eerste vervoerregio zijn mobiliteitsplan had uitgewerkt en goedgekeurd, toont dit aan. Ook het feit dat provincie Limburg optrad als co-voorzitter van de vervoerregio in sterke tandem met MOW Limburg is hier natuurlijk niet vreemd aan.

Maar ook nu de vervoerregio’s de facto een bijkomende bestuurslaag zijn, kunnen we nog steeds efficiëntiewinsten boeken.

  • We willen dat onze coördinerende rol en expertpositie binnen die vervoerregio’s expliciet wordt gemaakt en decretaal verankerd.

  • We willen dat de vervoerregio’s, als ze dan toch bestaan, een mandaat en autonomie krijgen, i.p.v. blijvend afhankelijk te zijn van centrale besluitvorming op Vlaams niveau. Gemeenten haken daarop af, en ook gebruikers en middenveldorganisaties voelen zich te weinig betrokken.

4.3. Door werk te maken van heldere afspraken die een betere (samen)werking stimuleren en makkelijker maken.

We zijn allen partners in het mobiliteitsbeleid, geen concurrenten – een goede samenwerking brengt het gemeenschappelijk maatschappelijk doel sneller dichterbij.

  • Een concreet voorbeeld: we stelden hierboven al dat de provincies pionier zijn in het verzamelen van data rond fietsgebruik. We zien – tot onze tevredenheid – dat ook Vlaanderen en andere spelers, zoals de private markt of het middenveld, steeds meer fietsdata beginnen te verzamelen. Het is belangrijk dat we daarover goed samenwerken via goede afspraken, i.p.v. data voor elkaar af te schermen en elkaar de facto te beconcurreren.

  • Meer eenduidigheid in subsidiemogelijkheden, zeker voor lokale besturen. Provincies kunnen daarin een rol spelen, bijvoorbeeld door lokale besturen niet langer te verplichten om én bij de provincie én bij Vlaanderen subsidies aan te vragen. Ervaring met het Kopenhagenfonds leert ons dat de afhandeling best bij het bestuursniveau ligt dat het dichtst bij de lokale besturen staat en expertise heeft op vlak van mobiliteit. Volledig in lijn met het subsidiariteitsprincipe.

  • Door aanpassingen aan het fietsroutenetwerk makkelijker goed te keuren door een wijziging van de te volgen procedure.

4.4. Door ons niet financieel af te remmen!

De provincies kunnen en willen nog een versnelling hoger schakelen in het investeren in infrastructuur, maar we worden vaak geblokkeerd door specifieke wetgeving, of omdat Vlaanderen ons investeringsritme niet kan volgen.

We vragen concreet:

  • Een flexibele ophoging van het fietsfonds zodat er tegemoet gekomen wordt aan het investeringsritme van de lokale en provinciale besturen.

  • Dat tegen volgende legislatuur de achterstand van het Vlaams aandeel voor het fietsfonds is weggewerkt.

  • Dat de beschikbare middelen die Vlaanderen of de lokale besturen niet kunnen besteden, worden overgeheveld naar het niveau dat dat wel kan. Werkelijk iedereen haalt daar voordeel uit: de gebruiker, de lokale besturen en vooral ook Vlaanderen zelf.

  • Dat meer beroep wordt gedaan op onze expertise om extra Europese middelen naar Vlaanderen toe te trekken, in dit geval concreet voor het fietsbeleid (EFRO, CEF, …).

  • Dat provincies, net zoals steden en gemeenten, subsidie kunnen aanvragen voor de realisatie van infrastructuur zoals missing links, tunnels of bruggen (artikel 49, §1 van het BVR van 25 januari 2013).

Wij vragen concreet:

  • Respecteer de rol van de provincies inzake mobiliteit en erken ze decretaal.

  • Geef ons een coördinerende rol in de tussenliggende overlegstructuren.

  • Laat ons op het terrein beter samenwerken i.p.v. elkaar (onbedoeld) te beconcurreren.

  • Volg ons investeringsritme en rem ons niet financieel af.

Vlaanderen heeft een heldere visie op mobiliteit, met concrete en ambitieuze beleidsprioriteiten, waar de provincies helemaal achterstaan. Meer nog, we pionieren al vele jaren met talloze mobiliteitsinitiatieven die deze visie niet enkel ondersteunen, maar ze de facto waarmaken op het terrein.

We kunnen dit dankzij onze methodiek, onze bestuurskracht en onze mensen op het terrein.

We nodigen Vlaanderen dan ook uit deze onontbeerlijke rol die we de facto spelen, niet enkel te erkennen en te verankeren, maar nog meer te gebruiken! We zijn hier, we hebben kennis, bestuurskracht en middelen. Rem ons niet af, zie ons niet als concurrenten, maar beschouw ons als waardevolle partners in het realiseren van onze gemeenschappelijke doelstellingen op vlak van modal shift en verkeersveiligheid.

Op die manier creëren we samen bewegingsvrijheid voor beleidsmakers op elk niveau, en laten we de bestuurlijke puzzel weer vlotter schuiven. Ten goede van burgers, bedrijven en de hele Vlaamse samenleving.

De Vlaamse provincies:
een onmisbaar stuk van
de Vlaamse bestuurlijke
schuifpuzzel.

Water, natuur & milieu

memorandumvisual schuifpuzzel natuur

In ons memorandum stellen we dat ons land kampt met vele ingewikkelde problemen, die moeilijk op te lossen zijn. Niet alleen moeten er zoveel onderling afhankelijke aspecten verzoend worden, maar de besluitvorming in Vlaanderen is zo complex geworden, met zijn – letterlijk – duizenden tussenliggende structuren, raden en commissies. De Vlaamse beleidsstructuur is als een schuifpuzzel met véél te veel stukjes, die daardoor stevig vast zit. Gelukkig zijn de provincies daarvoor een deel van de oplossing.

Hieronder tonen we dat aan voor de beleidsdomeinen “Water, Natuur & Milieu”. Waarin u zal merken dat de provincies soms een uitvoerder, soms een versneller en vaak zelfs een inspiratie zijn voor het Vlaamse beleid terzake.

Water

Een systeemaanpak van de waterproblematiek is steeds urgenter. Zowel overstromingen als langdurige droogte, het peil van het grondwater, de waterkwaliteit of de waterzuivering zijn in de recente jaren alleen maar hoger op de politieke agenda gekomen, al dan niet geactiveerd door acute crisissen. De uitdaging voor het Vlaamse beleid is om meer ruimte te creëren voor natuurlijke processen, om zo het waterbufferend vermogen van valleien te vergroten en infiltratie- en retentiegebieden te herstellen. Daardoor worden niet alleen piekafvoeren vermeden, maar worden ook de grondwaterreserves beter aangevuld. Helaas blijkt dat in meer dan 90% van de Vlaamse gemeenten de verharding nog toeneemt.

In het regeerakkoord engageerde de Vlaamse regering zich inderdaad om de natuurlijke dynamiek in valleigebieden te herstellen en de bergingscapaciteit van beek- en rivierlandschappen maximaal te benutten. Ook in Vizier 2030 engageerde Vlaanderen zich om de waterverontreiniging te beperken, de hydromorfologie te herstellen, de oppervlaktewater- en grondwatervoorraden te beschermen en voldoende ruimte en opslag voor water te voorzien.

Natuur & Milieu

Een robuust, veerkrachtig en samenhangend natuurnetwerk creëren is één van de juridisch bindende EU-doelstellingen voor natuurherstel. De sterke versnippering van de open ruimte en de moeizame voortgang om een natuurnetwerk te realiseren, maken hiervan voor Vlaanderen een stevige uitdaging. Bij 80% van de Vlaamse gemeenten vermindert de oppervlakte groen nog altijd. De open ruimte wordt steeds meer ingevuld door andere functies dan natuur, en staat in Vlaanderen dus sterk onder druk.

De uitdaging voor het beleid is een evenwicht te vinden tussen verdichting in bebouwde gebieden om de druk op de open ruimte te verminderen, en een weldoordachte inzet van natuurgebaseerde oplossingen om de leefbaarheid in steden te verbeteren.

In het regeerakkoord engageert de Vlaamse regering zich om de open ruimte maximaal te vrijwaren, en te investeren in een netto toename aan “natuur met hoge kwaliteit, overal en dicht bij iedereen”. Concreet stelde ze in 2019 dat ze tegen 2024 20.000 bijkomende ha natuur onder effectief natuurbeheer zou brengen, en uiterlijk tegen 2030 zo’n 10.000 hectare bijkomend bos aan zou leggen.

In het kort

  • Toenemende urgentie van een systeemaan- pak van waterproblemen

  • Ruimte creëren voor natuurlijke processen, herstellen van waterbuffercapaciteit en stoppen van verharding in gemeenten

  • Herstel van de natuurlijke dynamiek in vallei- gebieden, maximaliseren van bergingscapaciteit en beschermen van waterreserves

  • Creëren van een robuust natuurnetwerk, uitdaging door versnippering en afname van groene oppervlakten in gemeenten

  • Een balans vinden tussen verdichting in bebouwde gebieden en gebruik van natuurgebaseerde oplossingen

  • Maximaliseren van open ruimte, investeren in hoogwaardige natuur dicht bij iedereen, met concrete doelen

In de complexe, versnipperde en verkokerde Vlaamse beleidscontext is de bewegingsvrijheid van beleidsmakers om dingen in beweging te krijgen vaak beperkt. De provincies kunnen daarbij helpen.

We kunnen dit doen omwille van onze specifieke methodiek, onze bestuurskracht, en onze competenties op het terrein.

Onze specifieke methodiek

Onze provinciale methodiek houdt in dat we voor elke problematiek alle relevante partijen bij elkaar brengen om tot een praktische en gedragen oplossing te komen. We proberen hierbij altijd iedereen te betrekken, over verkokerde bevoegdheden en belangen heen.

De provincies maken werk van een integraal Waterbeheer met oog voor alle beleidsmatige linken met bijvoorbeeld landbouw, omgeving, economie, toerisme, natuur... Zo wordt telkens gestreefd naar de uitwerking van totaalprojecten bij het beheer of herinrichten van waterlopen en omliggende valleien.

De provincies werken ook samen met lokale besturen, het middenveld en Vlaanderen, bijvoorbeeld in Water-Land-Schappen om doelstellingen rond water, natuur, bodem- bescherming, plattelandsontwikkeling, sociaal-economische ontwikkeling e.a. op elkaar af te stemmen.

Als grootste waterloopbeheerder van Vlaanderen werken de provincies samen met Vlaanderen rond de Blue Deal of met andere gewesten of actoren in het buitenland. Bijvoorbeeld in Europese projecten zoals Life en Interreg spelen provinciebesturen vaak een prominente rol, zoals de grensoverschrijdende samenwerking tussen West-Vlaanderen en Frankrijk om overstromingen te voorkomen.

De provincies zijn via de Regionale Landschappen en de Bosgroepen, en dus samen met private en publieke boseigenaars, lokale besturen en het middenveld, de drijvende kracht achter de aanleg van meer dan 300 nieuwe bossen en boomgaarden, de aanleg of het onderhoud van bermen en trage wegen, of het creëren van nieuwe plekken voor recreatieve natuurbeleving. Zo ondersteunen we de ambities rond vergroening van de Vlaamse overheid en gemeenten.

De provinciebesturen zijn samen met de Regionale Landschappen de indieners voor het gros van de aanvragen voor “Landschaps- en Nationale Parken”. Uiteraard zullen wij de masterplannen van deze Vlaamse Parken mee vorm geven vanuit een geïntegreerde gebiedsgerichte werking.

Onze bestuurskracht

De provincies hebben eigen prioriteiten en een eigen budget, wat ons toelaat op eigen kracht initiatieven waar te maken en zaken in beweging te zetten. We zijn hierbij niet bang om te pionieren.

De provincies hebben in de afgelopen jaren al meer dan 140 overstromingsgebieden in heel Vlaanderen gecreëerd en daardoor talloze grote en kleine overstromingen voorkomen.

De provinciebesturen durven ook stappen zetten in het netelige dossier rond een rechtvaardige aankoop en afbraak van woningen die in overstromingsgevoelige gebieden gelegen zijn. We zetten niet in op bruuske onteigenings- procedures, maar zoeken samen met bewoners naar duurzame oplossingen. In de provincie Antwerpen gebeurde dit bijvoorbeeld in het overstromingsgebied in Ranst ter hoogte van de Tappelbeek en in Balen ter hoogte van de Grote Nete.

Door het uitbouwen van een provinciaal grootschalig permanent sensorennetwerk in de waterlopen en het delen van deze data, creëren we samen met VMM en het Waterbouwkundig Labo een systeem om in real-time de evolutie en de kwaliteit van het water te monitoren.

De provincies subsidiëren het wetenschappelijke onderzoek naar de functionele relatie tussen natuur en gezondheid, bijvoorbeeld via de leerstoel Zorg en Natuurlijke Leefomgeving bij de Universiteit Antwerpen. Zo werd onderzocht hoe mensen de aanwezige natuur ervaarden tijdens de coronaperiode. Met deze informatie kunnen de provincies en andere besturen aan de slag om de buitenomgeving beter in te richten.

Tevens onderzochten experten op vraag van de 5 Vlaamse provincies de impact van openbare verlichting op mens, dier en plant. Op basis van deze studie kunnen de provincies verlichtingstips geven aan lokale besturen over onder andere de installatie van ledverlichting, gericht dimmen van verlichting, faunavriendelijke verlichting (bv. fietsvolgende verlichting), effecten op veiligheidsgevoel...

Een duurzame levensstijl begint van kleins af aan. De provincies ondersteunen scholen die een ‘duurzame straffe school’ willen zijn, via de provinciale Milieuzorg Op Scholen-werking (MOS) om zo bijvoorbeeld de speelplaats te vergroenen of energiebesparende maatregelen te nemen. Dit in samenwerking met Departement Omgeving en de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Vandaag wordt MOS in de onderwijswereld algemeen gewaardeerd als referentie voor Educatie voor Duurzame Ontwikkeling.

Via het Burgemeestersconvenant voor Klimaat en Energie engageren lokale besturen zich om EU- klimaat- en energiedoelstellingen te halen. Al 15 jaar geleden pionierden de provincies hierin als territoriaal coördinator. Lokale besturen waren enthousiast over de ondersteuning en rolden tal van initiatieven uit.

Helaas werd die rol de voorbije jaren uitgehold door het opstarten van gesubsidieerde parallelle ondersteuningsinitiatieven, die allerlei zaken nog eens overdeden die de provincies al jaren met inzet en kwaliteit deden, met alle tijds- en geldverlies van dien. Tegelijk nam ook de administratieve plan- en rapporteringslast in een snel tempo toe waardoor lokale besturen steeds moeilijker tot concrete uitvoering komen. De reeds bewezen sterke rol van de provincies hierin herwaarderen zou leiden tot een meer efficiënte en complementaire ondersteuning van de gemeenten, en vooral tot meer resultaat.

Onze mensen op het terrein

We hebben zowat overal onze eigen experten die een goed zicht hebben op de specifieke lokale realiteiten. Dit is niet alleen efficiënter, maar zorgt er ook voor dat we ogen en oren hebben voor de verzuchtingen en de reële noden op het terrein. Hierdoor moeten de provincies minder beroep doen op externe partijen zoals dure consultants of studiebureaus.

De provincies staan in voor het beheer en de financiering van 12.000 km waterlopen (maaien, slibruimingen, onderhoud infrastructuur en pompinstallaties, ...). We bestrijden ook invasieve uitheemse soorten in en rond de waterlopen.

Onze provinciale erosiecoördinatoren helpen lokale besturen en landbouwers bij erosiebestrijding (het ontwerpen en aanleggen van erosiepoelen, buffergrachten, houthakseldammen en geprofileerde grasstroken), de aanvraag van subsidies hiervoor, en de voorbereiding van omgevingsvergunningsaanvragen.

We creëren (of versterken) functionele ecologische netwerken om ruimte te maken voor fauna en flora, een gezonde en kwaliteitsvolle leefomgeving mogelijk te maken, en de biodiversiteit te beschermen.

Via het Interprovinciaal Kenniscentrum (IPKC) ondersteunen we gratis of tegen kostprijs lokale besturen met wetenschappelijke expertise en dienstverlening, zoals milieutechnische onderzoeken van het Provinciaal Centrum voor Milieuonderzoek (PCM) of het Provinciaal Instituut voor Hygiëne (PIH).

Zoals we hierboven hebben aangetoond, zijn de provincies het onontbeerlijke stukje dat de schuifpuzzel in beweging kan brengen. Beter nog: we doen dat al jaren.

Maar alles kan altijd beter. Als we Vlaanderen mee in beweging willen helpen zetten, dan kan dat enkel door de provincies zélf ook meer bewegingsvrijheid te gunnen.

4.1. Door écht een eind te maken aan de versnippering van het waterbeheer.

Het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 beseft dat “het huidig oppervlaktewaterbeheer ... nog sterk versnipperd (is), wat zorgt voor een gebrek aan efficiëntie en daadkracht”, en belooft “het landschap van de onbevaarbare waterlopen drastisch te rationaliseren”.En inderdaad, het ontwerp van Minister Demir van 2023 zou het aantal beheerders van 112 reduceren naar 12. Prima, toch?

Het is inderdaad goed bestuur de verrommeling aan te pakken, maar het voorstel wil de vijf provinciale beheerders - die op het terrein al decennia goed werk leveren, en het beheer organiseren en financieren van ongeveer 75% van de onbevaarbare waterlopen - vervangen door compleet nieuw op te richten ‘waterschappen’. Met alle hoge transactiekosten en jarenlange stilstand die komen kijken bij het uitwerken van deze volledig nieuwe structuren van dien.

Wij doen een oproep aan alle partners en beleidsmakers in het waterbeheer om het “vijf plus één model” objectief een kans te geven, waarbij de vijf provincies verantwoordelijk worden voor het beheer van àlle onbevaarbare waterlopen.

De VMM wordt in dit model gezien als de kaderstellende overheid. Dit model is nog een stuk slanker dan het ontwerp-‘waterschappen’, laat de bestaande expertise op het terrein maximaal renderen, en kan op heel korte termijn leiden tot een nog drastischer rationalisering van het waterbeheer.

4.2. Door de feitelijke rol van de provincies in het bos- en landschapsbeheer decretaal te respecteren en te versterken.

In het nieuwe uitvoeringsbesluit dat de Vlaamse Regering voorbereidt rond de Regionale Landschappen en de Vlaamse Parken, is het belangrijk dat de rol van de provinciebesturen gerespecteerd wordt.

Ook de samenwerkingsovereenkomst van het Agentschap voor Natuur en Bos met de provincies over de projectfinanciering van de Bosgroepen en de Regionale Landschappen moet herbekeken worden: de provincies vragen om die overeenkomst structureel te verankeren zonder tijdslimiet, i.p.v. elke 5 jaar zoals nu. In de voorbije periodes vroeg het immers heel wat werk om tot een overeenkomst te komen.

Daarnaast vragen de provincies ook een actualisatie van de middelen in verhouding tot de vooropgestelde hoge ambities.

4.3. Gebiedsfondsen voor duurzaamheid, biodiversiteit en landschapskwaliteit.

In de beleidsdomeinen water, natuur en milieu hebben de provincies veel wettelijke opdrachten rond natuurverbindingen, het beheer van onbe- vaarbare waterlopen, de opvolging van Regionale landschappen en Bosgroepen, enzovoort. Die opdrachten worden vanuit Vlaanderen vanuit verschillende administraties op een verkokerde manier opgevolgd, wat leidt tot inefficiënties: zo werden we in de voorbije jaren geconfronteerd met een golf van subsidie-oproepen. Dit heeft ertoe geleid dat heel wat personeelstijd ging naar het schrijven van subsidiedossiers.

We pleiten nu voor een bundeling van de middelen in een structureel partnerschap met Vlaanderen dat kan verankerd worden in gebiedsfondsen per provincie. Zo’n gebiedsfonds zou dan waken over het gezamenlijk ontwikkelen en uitvoeren van ambitieuze beleidsdoelen voor duurzaamheid, landbouw, biodiversiteit, ecosysteemdiensten en landschapskwaliteit.

In dit structureel partnerschap kan de Vlaamse overheid dan focussen op gebieden met een beoogde hoogwaardige kwaliteit (Natura 2000, VEN, Vlaamse Parken) en zouden de provinciebesturen complementair beleid ontwikkelen rond verbinden, verweven en basiskwaliteit (tot in de bebouwde omgeving), en nog meer dan ooit de coördinerende rol op zich nemen.

De provincies ondersteunen ook de gemeenten bij hun opdrachten en zorgen via een Loket Onderhoud Buitengebied dat investeringen op het terrein duurzaam beheerd worden. Hierbij wordt ook gekeken in welke mate de coördinatie van andere lokale klimaatinitiatieven in het kader van de Burgemeestersconvenant en het Lokaal Energie en Klimaatpact georganiseerd kan worden bij de provincies om een holistische aanpak te verzekeren.

De jarenlange provinciale ervaring met het lokale natuur-, milieu-, landbouw- en klimaatbeleid leert dat de provincies een belangrijke facilitator zijn om het Vlaams beleid op het terrein te realiseren.

Wij vragen concreet:

  • Omarm het ‘vijf plus één’ model en maak van de provincies de enige beheerders van onbevaarbare waterlopen

  • Erken en versterk de rol van de provincies als dé bos- en landschapsbeheerders in Vlaanderen

  • Stop de verkokering van water-, natuur- en milieubeleid. Laat ons écht gebiedsgericht én efficiënt samenwerken, in complementair partnerschap met Vlaanderen

Vlaanderen heeft stevige uitdagingen en ambitieuze beleidsprioriteiten voor de beleidsdomeinen water, natuur & milieu. De provincies staan volop achter de doelstellingen, meer nog, we pionieren al vele jaren met talloze initiatieven die deze uitdagingen de facto aanpakken op het terrein.

We kunnen dit dankzij onze methodiek, onze bestuurskracht en onze mensen op het terrein.

We nodigen Vlaanderen dan ook uit deze onontbeerlijke rol die we de facto spelen, te erkennen en te verankeren.

Op die manier creëren we samen bewegingsvrijheid voor beleidsmakers op elk niveau, en laten we de bestuurlijke puzzel weer vlotter schuiven. Ten goede van burgers, bedrijven en de hele Vlaamse samenleving.

De Vlaamse provincies:
een onmisbaar stuk van
de Vlaamse bestuurlijke
schuifpuzzel.

Omgeving

memorandumvisual schuifpuzzel omgeving

In ons memorandum stelden we dat ons land kampt met vele ingewikkelde problemen, die moeilijk op te lossen zijn, niet alleen omdat er zoveel onderling afhankelijke aspecten moeten verzoend worden, maar vooral ook omdat besluitvorming in Vlaanderen zo complex is geworden, met zijn – letterlijk – duizenden tussenliggende structuren, raden en commissies. We vergeleken de Vlaamse beleidsstructuur met een schuifpuzzel met véél te veel stukjes, die daardoor vastzat. En we nodigden de lezer uit om zich voor te stellen hoe de provincies niet een deel van dat probleem, maar wel van de oplossing waren.

Hieronder passen we die denkoefening toe op het beleidsdomein Omgeving. En willen we u aantonen dat de provincies soms een uitvoerder, soms een versneller en vaak zelfs een inspiratie zijn voor het Vlaamse ruimtelijke beleid.

In de Beleidsnota Omgeving 2019-2024 beschreef de Vlaamse Regering de uitdagingen voor onze snel veranderende leefomgeving door een aantal zichtbare en op elkaar inwerkende veranderingsprocessen, zoals klimaatverandering, druk op de (open) ruimte, uitdagingen voor het platteland en de open ruimte en het verlies van biodiversiteit en verhoogde druk op ecosystemen.

  • Klimaatverandering, waarvoor Vlaanderen kwetsbaar is omwille van zijn geografie en zijn verstedelijking.

  • Druk op de (open) ruimte: o.a. door de bevolkingsgroei en economische ontwikkeling wordt de uitdaging om bewoning, landbouw, industrie, transport, natuur en landschap met elkaar in balans te brengen steeds groter, en zo ook de druk op de open ruimte.

  • Uitdagingen voor het platteland en de open ruimte: er is een groeiend besef dat de open ruimte verschillende functies zoals voedselvoorziening, waterberging, klimaatmitigatie en -adaptatie, biodiversiteit, mobiliteit en recreatie, duurzaam moet kunnen combineren.

  • Verlies van biodiversiteit en verhoogde druk op ecosystemen: de druk op de biodiversiteit is groot omwille van de versnippering in ruimtegebruik en het versnelde ruimtebeslag.

Om aan al deze uitdagingen tegemoet te komen, engageerde de Vlaamse Regering zich in dezelfde beleidsnota om “de noodzakelijke dwarsverbanden te leggen binnen de eigen bevoegdheden”, structureel in te zetten op projectgedreven gebiedsontwikkeling, een specifiek, zichtbaar, interbestuurlijk en interdisciplinair beleid op te zetten voor het Vlaamse platteland, en te investeren in “het vereenvoudigen, verbeteren en versnellen van procedures inzake omgevingsbesluitvorming, op basis van een efficiënt instrumentarium dat flexibel, toekomstbestendig en robuust is tegenover beroepsprocedures”.

De provincies delen niet alleen die ambities, we zijn er al jaren een actieve uitvoerder van. En we willen dat in de toekomst nog steeds en nog méér ook blijven doen.

In de complexe, versnipperde en verkokerde beleidscontext van Vlaanderen is de bewegingsvrijheid van beleidsmakers om dingen in beweging te krijgen vaak beperkt. De provincies kunnen daarbij helpen.

We kunnen dit doen omwille van onze specifieke methodiek (onze projectmatige aanpak op het terrein), onze bestuurskracht, en onze technische competenties en onderhandelingsvaardigheden.

Onze specifieke methodiek

Transversale en projectmatige aanpak in ruimtelijk beleid
Onze specifieke provinciale methodiek houdt in dat we voor elke problematiek de relevante partijen bij elkaar brengen om tot een pragmatische en gedragen oplossing te komen. We zijn onvermoeibaar in het betrekken van alle betrokkenen, over verkokerde bevoegdheden en belangen heen. Onze projectmatige aanpak moet leiden naar een gedragen besluitvorming.

Transversaal werken over de beleidsdomeinen heen en partnerschappen opzetten met alle relevante actoren, tussen de verschillende beleidsniveaus, private partners én tussen verschillende sectoren en beleidsdomeinen, is de kern van het beleidsdomein Omgeving en eigen aan de provinciale procesmatige aanpak. Dit is waar de provincies van oudsher in excelleren, en waarom de parallel werkende Vlaamse overheid er niet in slaagt transversale banden te leggen.

Ruimtelijke beleidsplannen
Ruimtelijke planning betekent ook dat je de nieuwe ruimtelijke en de hiermee verbonden klimaatuitdagingen op een aangepaste manier moet aanpakken. En hier een beleidsvisie voor uitwerkt. Vlaanderen heeft de ambitie om een Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) op te maken maar liep tot nu toe vast. Ondanks een startschot in 2011 blijft het wachten op een ruimtelijk beleid dat de essentiële kwesties op Vlaams niveau structureel aanpakt. Daarom bepaalt in Vlaanderen nog steeds het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) van 1997 hoe ruimtelijk beleid gevoerd moet worden.

Met onze provinciale ruimtelijke beleidsplannen pakken we de hedendaagse knelpunten en opportuniteiten wel aan. Als we in de toekomst voor iedereen ruimte willen die een kwalitatieve leefomgeving koppelt aan klimaatbestendigheid, moeten we daar nu al een beleid voor uitwerken. Duurzaam en doordacht omgaan met de beschikbare ruimte is noodzakelijk voor de toekomstige generaties. Daarom ontwikkelden verschillende provincies een ruimtelijk beleidsplan met daarin een langetermijnvisie voor een duurzaam gebruik van onze ruimte.

Toegegeven, het is ook niet evident om ruimtelijk beleid op Vlaams niveau te voeren. Er is een te grote afstand vanuit de Vlaamse overheid naar de lokale besturen en het terrein om voldoende gebiedskennis te hebben en een bottom up aanpak te realiseren. Bijgevolg is het lastiger om een concrete, gedragen bovenlokale visie met acties op te stellen om de schaarse ruimte beter in te delen, te optimaliseren en te herbestemmen.

  • Met onze expertise, gebiedskennis en samenwerking met de lokale besturen en waar opportuun met Vlaanderen, zorgen we er dan voor dat deze beleidsvisies ook effectief op het terrein worden waargemaakt. Via concrete ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP’s) herorganiseren en optimaliseren we samen met de gemeenten en andere partners het ruimtegebruik in een bepaald gebied. Zeker in die gevallen waarbij de ruimtelijke problematiek de gemeentegrenzen overstijgt is een bovenlokale coördinatie essentieel.

  • Door de advisering en ondersteuning van lokale besturen, door het opzetten van eigen planningsprocessen en het afleveren van kwalitatieve omgevingsvergunningen slagen we er in om op bovenlokaal niveau het noodzakelijk beleid uit te werken om de ruimtevragen van vandaag en morgen aan te pakken. Zo fungeren we als een brug tussen lokale noden en gewestelijke en nationale beleidsdoelstellingen.

  • Zo werken de provincies samen met verschillende gemeenten aan de afbakening van de kleinstedelijke gebieden. Dit is een mooi voorbeeld van hoe de provincies samen met lokale besturen op zoek gaan naar een ruimtelijke toekomstvisie voor de gemeente of stad. Er wordt bijvoorbeeld nagedacht over tot waar de stad reikt en open ruimte begint, mobiliteitskwesties, levendige handelskernen etc.

  • Een gedragen ruimtelijke visie wordt vervolgens vertaald in een Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (PRUP). Deze vullen de lacunes tussen lokale en gewestelijke RUP’s op en zorgen voor een meer samenhangende en gecoördineerde benadering van ruimtelijke planning in Vlaanderen.

Omgevingsvergunningen
De beleidsnota Omgeving van de Vlaamse Regering zegt te willen investeren“in het vereenvoudigen, verbeteren en versnellen van procedures inzake omgevingsbesluitvorming, op basis van een efficiënt instrumentarium dat flexibel, toekomstbestendig en robuust is tegenover beroepsprocedures”.

  • De provincies bewijzen elke dag opnieuw dat we vergunningen efficiënt en grondig behandelen in een complexe context. Binnen de POVC’s (provinciale omgevingsvergunningscommissies) komen de verschillende disciplines, interne en externe adviezen samen en wordt de basis gelegd voor een goed onderbouwde en weloverwogen besluitvorming. Zo nemen de provincies per jaar zo’n 2.400 beslissingen in eerste aanleg voor provinciale vergunningsaanvragen en behandelen we meer dan 4.400 verzoekschriften tegen beslissingen van lokale besturen. Nieuwe regelgeving, zowel over inhoud als procedure, passen we snel en zonder problemen in onze besluitvorming in. We willen dan ook onze jarenlange inhoudelijke en procedurele ervaring blijven inzetten, zowel in eerste aanleg als in beroep.

  • De deputatie als administratief beroepsorgaan vormt zo een wezenlijke filter tegenover de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De provincies onderzoeken de vergunningsaanvraag opnieuw in zijn totaliteit en vragen alle noodzakelijke adviezen opnieuw op. Vervolgens wordt, rekening houdend met alle elementen van het dossier, een vergunning toegekend of geweigerd. Dit vormt een efficiënte beroepsprocedure die partijen de nodige rechtszekerheid kunnen bieden. Dit blijkt ook uit het feit dat slechts in minder dan 20% van de dossiers verder wordt geprocedeerd bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Je kan dus stellen dat dankzij de provincie als beroepsinstantie net een vlottere en efficiëntere behandeling mogelijk is.

De provincies zijn door hun expertise en als politiek bestuur dan ook perfect geplaatst om de bovenlokale vergunningsaanvragen in eerste aanleg of beroepen tegen gemeentelijke beslissingen te blijven behandelen.

Onze bestuurskracht

De provincies hebben eigen prioriteiten en een eigen budget, wat ons toelaat op eigen kracht ruimtelijke initiatieven waar te maken en zaken in beweging te zetten. We zijn hierbij niet bang om te innoveren.

  • Zo zijn we pioniers inzake energielandschappen die een transitie naar duurzame energie van onderuit moeten helpen mogelijk maken. We bakenen daarbij verschillende energielandschappen af, waar socio-economische, ruimtelijke en energetische aspecten samenkomen. We brengen zowel de lokale en bovenlokale besturen, als waar nodig de private partners samen, om zowel visie als acties te genereren. Niet alleen ontwikkelen we daarbij een ruimtelijke visie die de invoering van hernieuwbare energie moet ondersteunen, we voeren die ook uit.

Onze mensen op het terrein

We hebben onze eigen experten die een goed zicht hebben op de specifieke lokale realiteiten. Onze provinciale experten ondersteunen de lokale besturen over inhoudelijke, juridische en vormelijke kwaliteitsverbetering van dossiers, ruimtelijk onderzoek, kennisuitwisseling, sensibilisering, ....

  • Lokale besturen kunnen bijvoorbeeld moeilijk ruimtelijke planners en experten omgevingsvergunning aantrekken, dit zijn knelpuntberoepen. De provincies hebben deze mensen wél in huis en kunnen de lokale besturen hiermee voor een deel ontzorgen en begeleiden.

  • Gemeenten klagen op dat vlak aan dat Vlaamse ambtenaren vaak alleen maar de negatieve punten bovenhalen waarom een vergunning niet mag worden gegeven, maar geen positieve constructieve bijdrages leveren. In tegenstelling tot de meer oplossingsgerichte provincies…

Dit alles laat ons toe een constructieve partner, uitvoerder, en ja zelfs inspirator te zijn voor het Vlaams beleid inzake het gebruik van ruimte en de kwalitatieve invulling. Onze politieke bestuurskracht laat daarbovenop toe om beleidsmatige verdeelvraagstukken te trancheren. Samen met de lokale politieke besluitvorming wordt zo een democratisch proces gecreëerd dat legitimiteit geeft aan de provinciale initiatieven en de organisatie van de ruimte.

Zoals we hierboven hebben aangetoond, zijn de provincies het onontbeerlijke stukje dat de schuifpuzzel in beweging kan brengen. Beter nog: we doen dat al jaren.

Maar alles kan altijd beter. Als we Vlaanderen mee in beweging willen helpen zetten, dan kan dat enkel door de provincies zélf ook meer bewegingsruimte te geven. En dat kan door een positief antwoord te geven op volgende vragen …

4.1. De erkenning en inzet van de rol van de provincies als ruimtelijke beleidsmakers. .

De provinciebesturen ervaren op het terrein een vreemde paradox: ambtenaren van de relevante Vlaamse administraties (Omgeving, VMM, …) werken graag met ons samen,ook als het om tools en data gaat, vragen ons bepaalde beleidsacties op te nemen en erkennen onze expertise.

Maar decretaal kent men de provincies amper – op het politieke niveau heeft men het moeilijk onze rol te erkennen.

Nochtans zijn de provincies als transparante en democratisch verkozen besturen ideaal geplaatst om als regisseur bovenlokale ruimtelijke uitdagingen aan te pakken in bijvoorbeeld gebiedsgerichte projecten. We vragen daarom de erkenning en inzet van deze provinciale regisseursrol, bv. bij de toekomstige uitwerking van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV).

We vragen een blijvende rol in het planologisch beleid met het behoud van onze planningsbevoegdheden op alle ruimtelijke beleidsterreinen en alle inhoudelijke thema’s. Daarbij moeten we alle beschikbare juridische instrumenten kunnen blijven gebruiken.

Zo kunnen we onze procesmatige transversale aanpak in bovenlokale ruimtelijke problematieken maximaal blijven inzetten, ook ter ondersteuning van het Vlaamse ruimtelijk beleid.

4.2. Bevestiging van bevoegdheden inzake omgevingsvergunningen.

De provincies zijn sinds jaren bevoegd voor bovenlokale vergunningen en beroepsprocedures en zijn dan ook het geschikte bestuursniveau om de bovenlokale vergunningsaanvragen in eerste aanleg of beroepen tegen gemeentelijke beslissingen te behandelen. We hebben immers een sterke interne expertise, kennen een democratische legitimiteit, staan ver genoeg van het lokale niveau om dergelijke dossiers vanuit een zekere afstand te kunnen beoordelen, maar staan anderzijds dicht genoeg om ook oog te hebben voor de lokale beleidsmatige bekommernissen.

4.3. We vragen de verantwoordelijkheid om eigen vergunningen te handhaven.

Planning, vergunning en handhaving vormen één onlosmakelijk geheel. We vragen dan ook de verantwoordelijkheid om provinciale vergunningen te kunnen handhaven om zo beleid te kunnen uitwerken, implementeren én controleren. We willen een grotere rol op het vlak van handhaving inzake de vergunningverlening en de waterlopen 2de en 3de categorie in onze bevoegdheid.

Wij vragen concreet:

  • De erkenning en inzet van onze provinciale regisseursrol als ruimtelijke beleidsmakers en -uitvoerders om bovenlokale ruimtelijke problematieken aan te pakken

  • De bevestiging van onze inhoudelijke ervaring en onze procedurele bevoegdheden m.b.t. vergunningenbeleid

  • De verantwoordelijkheid om zelf de provinciale vergunningen effectief te handhaven

Vlaanderen staat voor grote uitdagingen in de organisatie van een kwaliteitsvol en klimaatadaptief ruimtegebruik. De provincies willen én kunnen meehelpen om dit waar te maken. Meer nog, we pionieren al vele jaren met talloze initiatieven om om transversale projecten te realiseren.

We kunnen dit dankzij onze methodiek, onze bestuurskracht en onze mensen op het terrein.

We nodigen Vlaanderen dan ook uit deze onontbeerlijke rol die we de facto spelen, te erkennen, te verankeren en uit te breiden.

Op die manier creëren we samen bewegingsvrijheid voor beleidsmakers op elk niveau, en laten we de bestuurlijke puzzel weer vlotter schuiven. Ten goede van lokale besturen, burgers, bedrijven en de hele Vlaamse samenleving.

De Vlaamse provincies:
een onmisbaar stuk van
de Vlaamse bestuurlijke
schuifpuzzel.

Toerisme & Recreatie

memorandumvisual schuifpuzzel

Binnenkort meer info

Ondernemen

memorandumvisual schuifpuzzel

Binnenkort meer info